,

Pijn: wat gebeurt er in je lichaam en hoe werken pijnstillers?

Iedereen heeft weleens pijn. Soms is het duidelijk waar de pijn vandaan komt, bijvoorbeeld na een val, operatie of ontsteking. Maar pijn kan ook ingewikkelder zijn. Het kan blijven aanhouden, uitstralen, brandend aanvoelen of juist diep van binnen zitten. Daarom is pijn niet altijd met één simpele uitleg te beschrijven.

In mijn eerdere artikel over de pijnladder leg ik uit hoe pijnstilling stap voor stap kan worden opgebouwd. In dit artikel gaan we een stap terug: wat is pijn eigenlijk, welke soorten pijn zijn er en hoe werken pijnstillers zoals paracetamol, NSAID’s en opioïden?

Acute en chronische pijn

Pijn wordt vaak eerst ingedeeld in acute pijn en chronische pijn.

Acute pijn ontstaat meestal plotseling. Denk aan pijn na een verwonding, operatie, ontsteking of kneuzing. Deze pijn heeft vaak een duidelijke functie: je lichaam geeft een waarschuwingssignaal dat er iets aan de hand is. Acute pijn verdwijnt meestal weer wanneer de oorzaak herstelt.

Chronische pijn is pijn die langer blijft bestaan. Vaak wordt hierbij uitgegaan van pijn die langer dan drie maanden aanwezig is of steeds terugkomt. Bij chronische pijn is de oorspronkelijke oorzaak soms niet meer duidelijk aanwezig, terwijl het pijnsysteem toch actief blijft. Dit kan veel invloed hebben op het dagelijks leven, slaap, stemming, energie en functioneren.

Chronische pijn is dus niet “aanstellerij” en ook niet altijd zichtbaar. Het zenuwstelsel kan gevoeliger worden, waardoor pijnprikkels sneller of sterker worden ervaren.

Verschillende soorten pijn

Pijn is niet bij iedereen hetzelfde. De plek, oorzaak en manier waarop pijn ontstaat, bepalen vaak ook welke behandeling het beste past.

Nociceptieve pijn

Nociceptieve pijn ontstaat door schade of dreigende schade aan weefsel. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij een wond, botbreuk, kneuzing, ontsteking of overbelasting.

Deze pijn wordt vaak omschreven als zeurend, stekend, kloppend of scherp. Het lichaam geeft als het ware een alarmsignaal af: er is iets beschadigd of geïrriteerd.

Voorbeelden zijn:

  • spierpijn;
  • gewrichtspijn;
  • pijn na een operatie;
  • pijn door een ontsteking;
  • pijn na een verstuiking of kneuzing.


Bij nociceptieve pijn worden vaak pijnstillers zoals paracetamol of een NSAID gebruikt. Welke keuze passend is, hangt af van de ernst van de pijn, de oorzaak en de gezondheid van de patiënt.

Neuropathische pijn

Neuropathische pijn ontstaat door schade of een verstoring in het zenuwstelsel zelf. Hierbij komt de pijn dus niet alleen door beschadigd weefsel, maar doordat zenuwen pijnsignalen verkeerd of versterkt doorgeven.

Deze pijn wordt vaak anders omschreven dan gewone weefselpijn. Mensen spreken bijvoorbeeld over:

  • brandende pijn;
  • tintelingen;
  • elektrische schokken;
  • prikkelingen;
  • doof gevoel;
  • pijn bij aanraking die normaal geen pijn zou moeten doen.

Neuropathische pijn kan voorkomen bij bijvoorbeeld diabetes, zenuwschade, gordelroos, hernia, chemotherapie of andere neurologische aandoeningen.

Belangrijk om te weten: gewone pijnstillers werken bij neuropathische pijn vaak minder goed. Daarom worden soms andere medicijnen gebruikt, zoals middelen die invloed hebben op de prikkeloverdracht in zenuwen. Dit wordt altijd door een arts beoordeeld.

Viscerale pijn

Viscerale pijn komt vanuit de organen. Denk aan pijn vanuit de maag, darmen, galblaas, blaas of baarmoeder.

Deze pijn is vaak moeilijk precies aan te wijzen. Het kan krampend, drukkend of zeurend aanvoelen en soms uitstralen naar een andere plek. Buikpijn is hier een bekend voorbeeld van.

Omdat organen anders reageren dan spieren of gewrichten, kan viscerale pijn soms heftig zijn terwijl de plek van de pijn niet heel duidelijk is. De oorzaak kan onschuldig zijn, zoals darmkrampen, maar soms ook ernstiger. Daarom is het belangrijk om bij aanhoudende, toenemende of onverklaarbare buik- of borstpijn contact op te nemen met een arts.

Vasculaire pijn

Vasculaire pijn heeft te maken met de bloedvaten of de doorbloeding. Pijn kan ontstaan wanneer weefsels te weinig zuurstof krijgen door een verminderde bloedtoevoer, of wanneer bloedvaten ontstoken of beschadigd zijn.

Deze pijn kan bijvoorbeeld voorkomen bij vaatproblemen in de benen, migraine of bepaalde doorbloedingsproblemen. Soms ontstaat pijn vooral bij inspanning, omdat spieren dan meer zuurstof nodig hebben.

Vasculaire pijn vraagt altijd om aandacht voor de onderliggende oorzaak. Pijnstilling alleen is dan meestal niet voldoende; het is belangrijk om te kijken waardoor de doorbloeding verandert of waarom bloedvaten pijn veroorzaken.

Oncologische pijn

Oncologische pijn is pijn die voorkomt bij kanker of de behandeling daarvan. Deze pijn kan verschillende oorzaken hebben. Een tumor kan bijvoorbeeld drukken op weefsel, botten, zenuwen of organen. Ook uitzaaiingen, operaties, bestraling of chemotherapie kunnen pijn veroorzaken.

Oncologische pijn kan dus nociceptief, neuropathisch, visceraal of een combinatie hiervan zijn. Daarom is een goede beoordeling extra belangrijk. Niet alleen de pijnscore telt, maar ook de oorzaak, de plek, het soort pijn, de invloed op slaap en bewegen, en de bijwerkingen van medicatie.

Bij pijn bij kanker wordt vaak stap voor stap gekeken welke pijnstilling nodig is. Hierbij kan de pijnladder een hulpmiddel zijn, maar de behandeling blijft altijd maatwerk.

De pijnscorekaart: pijn zichtbaar maken

Pijn is persoonlijk. Wat voor de één draaglijk is, kan voor de ander ondraaglijk zijn. Daarom gebruiken zorgverleners vaak een pijnscorekaart.

Bij een pijnscore geef je meestal een cijfer van 0 tot 10:

  • 0 betekent geen pijn;
  • 1 tot 3 betekent lichte pijn;
  • 4 tot 6 betekent matige pijn;
  • 7 tot 9 betekent ernstige pijn;
  • 10 betekent de ergst denkbare pijn.
Pijnscore kaart


Een pijnscore helpt artsen, verpleegkundigen en apotheekmedewerkers om beter in te schatten hoe ernstig de pijn is en of een behandeling voldoende effect heeft. Het gaat niet alleen om het cijfer, maar ook om de vraag: is de pijn draaglijk? Kun je slapen, bewegen, werken of dagelijkse dingen doen?

Voor triage kan een pijnscorekaart helpen om sneller te bepalen hoeveel last iemand heeft en of er direct actie nodig is.

Triage betekent dat zorgvragen worden beoordeeld en ingedeeld op basis van urgentie. Het woord komt van het Franse trier, wat letterlijk ‘sorteren’ betekent. Het doel van triage is om snel te bepalen wie het meest dringend medische hulp nodig heeft, zodat tijd, aandacht en beschikbare zorg zo goed mogelijk worden ingezet.

Hoe werken pijnstillers?

Pijnstillers werken niet allemaal op dezelfde manier. Sommige middelen remmen pijnsignalen, andere verminderen ontsteking of beïnvloeden de verwerking van pijn in de hersenen en het ruggenmerg.

Paracetamol

Paracetamol is vaak de eerste keuze bij veel vormen van pijn. Het werkt pijnstillend en koortsverlagend. Het is meestal goed te verdragen wanneer het op de juiste manier wordt gebruikt.

Paracetamol werkt vooral centraal, dus via het zenuwstelsel en de hersenen. Het remt pijn en koorts, maar werkt nauwelijks ontstekingsremmend. Daarom is het bij ontstekingspijn soms niet voldoende en kan een arts of apotheker kijken of een NSAID passend is.

Belangrijk is wel dat de maximale dosering niet wordt overschreden. Te veel paracetamol kan schadelijk zijn voor de lever.

NSAID’s

NSAID’s zijn ontstekingsremmende pijnstillers. Voorbeelden zijn ibuprofen, naproxen en diclofenac.

NSAID’s remmen de aanmaak van prostaglandinen. Prostaglandinen zijn stoffen die een rol spelen bij pijn, koorts en ontsteking. Door deze stoffen te remmen, verminderen NSAID’s pijn, zwelling, roodheid en koorts.

hoe werkt een NSAID


NSAID’s kunnen goed werken bij pijn waarbij ontsteking een rol speelt, zoals gewrichtspijn, spierpijn, menstruatiepijn of pijn na een blessure.

Maar NSAID’s zijn niet voor iedereen geschikt. Ze kunnen bijwerkingen geven, zoals maagklachten, maagbloedingen, stijging van de bloeddruk, nierproblemen of extra risico’s bij hart- en vaatziekten. Daarom is het belangrijk om altijd goed te kijken naar leeftijd, andere medicijnen en medische voorgeschiedenis.

Opioïden

Opioïden zijn sterke pijnstillers. Ze worden gebruikt bij ernstige pijn, bijvoorbeeld na een operatie, bij kanker, na een ongeval of in palliatieve zorg.

Opioïden werken door zich te binden aan opioïdreceptoren in het zenuwstelsel. Hierdoor worden pijnsignalen minder sterk doorgegeven en verandert ook de manier waarop pijn in de hersenen wordt ervaren.

Voorbeelden van opioïden zijn morfine, oxycodon, fentanyl en tramadol (een ‘zwakwerkend’ opioïde). Deze middelen kunnen heel waardevol zijn bij ernstige pijn, maar vragen ook om zorgvuldigheid.

Veelvoorkomende bijwerkingen zijn:

  • sufheid;
  • misselijkheid;
  • duizeligheid;
  • obstipatie;
  • verminderde alertheid;
  • risico op gewenning of afhankelijkheid bij langer gebruik.

Bij opioïden wordt daarom vaak ook gelet op goede begeleiding, duidelijke afspraken en soms een laxeermiddel om obstipatie te voorkomen.

zo werken opioiden

De pijnladder als hulpmiddel

De pijnladder helpt om pijnstilling stap voor stap op te bouwen. Bij lichte pijn wordt meestal gestart met een eenvoudige pijnstiller zoals paracetamol. Als dit onvoldoende werkt, kan afhankelijk van de situatie een NSAID of sterkere pijnstilling worden overwogen.

De pijnladder is geen standaardlijst die voor iedereen hetzelfde werkt. Het is vooral een hulpmiddel om logisch en veilig na te denken over pijnstilling. De soort pijn is daarbij heel belangrijk. Neuropathische pijn vraagt bijvoorbeeld vaak een andere aanpak dan nociceptieve pijn.

In mijn artikel over de pijnladder leg ik uitgebreider uit hoe de WHO-pijnladder en de NHG-pijnladder worden gebruikt en wat de verschillen zijn.

In het kort

Pijn is meer dan alleen een vervelend gevoel. Het is een complex signaal waarbij weefsel, zenuwen, hersenen, emoties en omstandigheden allemaal een rol kunnen spelen.

Door onderscheid te maken tussen acute en chronische pijn, en tussen verschillende soorten pijn zoals nociceptieve, neuropathische, viscerale, vasculaire en oncologische pijn, wordt duidelijker welke behandeling passend kan zijn.

Pijnstillers werken op verschillende manieren. Paracetamol werkt vooral pijnstillend en koortsverlagend, NSAID’s remmen ontsteking en opioïden remmen sterke pijnsignalen via het zenuwstelsel. De pijnscorekaart helpt om pijn beter bespreekbaar en meetbaar te maken.

Goede pijnbehandeling is altijd maatwerk. Het gaat niet alleen om het verlagen van een pijncijfer, maar vooral om wat iemand weer kan doen: slapen, bewegen, herstellen en deelnemen aan het dagelijks leven.

Bronnen

Voor dit artikel zijn de volgende bronnen gebruikt:

Comments

Geef een reactie